© B.J. ten Brink
Home Historie EOV
898Vbdbat RadCie
Historie

Historie verbindingsinlichtingen 898 verbindingsbataljon en haar voorgangers

Door: maj b.d. W. Vastenhoud. Met dank aan de VOV (Vereniging Officieren Verbindingsdienst)

INLEIDING 

Op 1 januari 1998 hield 898 Verbindingsbataljon in Eibergen formeel op te bestaan. Volgens een besluit van de BLS geldt als oprichtingsjaar 1953, dus aan een periode van bijna 45 jaar is inmiddels een einde gekomen. Dat is geen reden om treurig te zijn, want de kern van het bedrijf: radiointerceptie, bestond al veel langer en is nog steeds springlevend.De opdracht van het voormalig 898 Verbindingsbataljon wordt nu binnen een interservicebedrijf uitgevoerd. Onder de nieuwe naam OVIC (Operationeel Verbindings-Inlichtingen Centrum) zijn 898 Verbindingsbataljon, 1 Luchtmacht Verbindingsgroep uit Alphen en een gedeelte van de Marine Inlichtingendienst (het Technisch Informatie Verwerkings Centrum (TIVC) uit Eemnes) samengegaan.Schrijven over 898 Verbindingsbataljon is een spannende gebeurtenis, want in feite is dit bataljon toch altijd omgeven geweest met een waas van geheimzinnigheid. "Een in sluieren gehuld fenomeen", zegt de huidige commandant er terecht van. Pas na het einde van de Koude Oorlog werd schoorvoetend toegegeven dat zich in Kamp Holterhoek een eenheid bevond met een grote belangstelling voor Oost-Europa. De terughoudendheid is niet geheel verdwenen; begrijpelijk, want een goede kok vertelt wel wàt hij kookt, maar niet hoè. Dat geeft ook het spanningsveld aan waarin schrijver zich bevindt. Het navolgende is daarom slechts een historische terugblik. De liefhebbers van hedendaagse recepten moeten elders te rade gaan.

INLICHTINGEN

Wie in het zakenleven of op het slagveld zijn kans op succes wil vergroten, verwerft informatie over de concurrent of de tegenstander. Hij verzamelt dus inlichtingen. Dat kan ongeorganiseerd en op ad-hoc basis, maar vaak is er toch behoefte aan meer informatie. Er wordt structuur aangebracht en een organisatie opgezet. Zo is in feite een inlichtingendienst ontstaan. Daar tegenover staat dat men dergelijke pogingen van concurrent of tegenstander zoveel mogelijk probeert te verhinderen. Hiermee is de bestaansgrond van een veiligheidsdienst aangegeven. Veiligheidsdiensten trachten bovendien inlichtingen te verzamelen van (mogelijke) vijanden in het binnenland. Door hun aard hebben inlichtingenorganisaties operationele lijnen met de hoogste regeringsinstanties. Jarenlang heeft de Nederlandse Defensie vele inlichtingen- en veiligheidsdiensten gekend, want de behoefte aan informatie over een (mogelijke) militaire tegenstander is immers ook bij ons aanwezig. Om die reden zijn er niet alleen in Nederland, maar ook in Engeland, Australië, Nederlands-Indië, Nieuw-Guinea en Suriname, Nederlandse inlichtingendiensten geweest. Na het einde van de Koude Oorlog zijn vele - maar niet alle - diensten opgeheven. Het verwerven van inlichtingen is in de huidige tijd niet minder actueel en complex, zeker nu de taakstelling van de landmacht zo ingrijpend is gewijzigd. Het verzamelen van inlichtingen is niet alleen van deze tijd. Reeds in het Oude Testament wordt in het boek Jozua gesproken over verspieders, die - in verband met de veiligheid van het volk - het beloofde land Kanaän moesten verkennen alvorens het volk Israël daar binnen kon trekken. De verspieders maakten daarbij gebruik van een heimelijke methode: zij verborgen zich in het huis van Rachab, een publieke vrouw. Ook uit de krijgsgeschiedenis van latere tijd blijkt dat methoden om via de slaapkamer inlichtingen te verkrijgen niet werden geschuwd en nog steeds worden toegepast. Denk bijvoorbeeld aan Mata Hari en de Tweede Wereldoorlog. We zien hier dat bepaald onorthodoxe methoden werden (en ongetwijfeld nog worden) gebruikt om het gestelde doel te bereiken. Echter, verbindingsinlichtenorganisaties verkrijgen hun informatie in hoofdzaak langs electronische weg via het frequentiespectrum.

EERSTE RADIOLUISTERDIENST

Nadat rond 1860 berichten via kabel en wat later via radio werden verzonden, ontstond de mogelijkheid deze af te luisteren. In georganiseerde vorm ontstond zo een (radio)luisterdienst. Om zichzelf beter tegen dit soort praktijken te beschermen werd het coderen van berichten toegepast. Vanzelfsprekend had dat weer tot gevolg dat de tegenstander deze codes probeerde te ontcijferen. Er werd crypto- en trafficanalyse ingevoerd en in de ether werd het afluisteren ook ontweken door eenvoudig te wisselen van golflengte. Naar mate het frequentiespectrum steeds voller raakte (zeker vanaf de jaren vijftig) was ook dat geen oplossing meer. De tegenstander had inmiddels de mogelijkheid de uitzendingen te gaan storen. De  electronische oorlogvoering (eov) was ontstaan. In de Eerste Wereldoorlog werden bij het Nederlandse Leger op beperkte schaal radioverbindingen afgeluisterd door een radioluister- en controledienst waar 45 man werkten. Bij de sectie GS IV van de Generale Staf was een cryptosectie ondergebracht. Er werd geluisterd op zowel Duitse als Engelse verbindingen, maar hoofdtaak was toch het controleren van de eigen verbindingen. Om vreemde stations te kunnen peilen werd een peilnet van acht stations opgezet met een hoofdstation in Utrecht. De overige stations waren verspreid over het hele land. In 1919 werd deze dienst opgeheven. Nadat in het begin van de jaren dertig duidelijk werd dat zich in Duitsland gevaarlijke ontwikkelingen voordeden, werd besloten dat ook bij het Nederlandse Leger een radio-, peil- en luisterdienst en een telefoonluisterdienst voor het Veldleger zou worden opgericht. In 1935 werd in de Kromhoutkazerne te Utrecht, bij het 2e Bataljon Regiment Genietroepen (Verbindingstroepen) een radioluisterpost in bedrijf gesteld. Gebruik makend van de ervaringen van de reeds bestaande Marineradiodienst in Amsterdam, werd deze post in 1938 uitgebreid met een recorder, zodat ook sneltelelegrafie kon worden opgenomen. In dat zelfde jaar werd de luisterpost nog uitgebreid en werd een militaire radioluisterdienst opgericht. Omdat Nederland neutraal was, werd ingeluisterd op alle radioverbindingen, dus ook op de Engelse. Veel stelde het nog niet voor, maar de 'Commissie voor den Verbindingsdienst', en vanaf 1933 de Commandant Regiment Genietroepen, werkte de gestelde behoefte uit en ging tot verwerving over.

NEDERLANDS-INDIË

Van afluisteren naar intercepteren Na de capitulatie van Java op 12 maart 1942 weken de militaire autoriteiten uit naar Australië. Daar werd een Marine- en Leger Inlichtingen Dienst (MLID) opgericht. Op 1 april 1943 ontstond de Netherlands Forces Intelligence Service (NEFIS), een naam die reeds officieus was gebruikt. Deze dienst, met een duidelijke Marinedominantie, stond onder rechtstreeks bevel van de Onder-Bevelhebber der Strijdkrachten in het Oosten. Alle inlichtingen- en veiligheidstaken, waaronder ook de 'Military Intelligence', behoorden tot de NEFIS. Na de bevrijding van Nederlands-Indië keerde de NEFIS terug naar Nederlands-Indië (Batavia) en vond een reorganisatie plaats. Interceptie en decodering van vijandelijke berichten werd een afzonderlijke taak en ondergebracht in Section of Afdeling 8. NEFIS stond onder rechtstreekse leiding van de Legercommandant. Inmiddels was in Nederland op 15 februari 1946 de Marine Intelligentie Dienst opgericht. Deze vestigden in Nederlands-Indië een bureau naast de NEFIS. Toen op 18 september 1948 de Centrale Militaire Inlichtingen Dienst (CMI) werd opgericht, werd de NEFIS daarin opgenomen en kwam er weer een Afdeling 8 (radio-interceptie). Deze afdeling bleek een van de belangrijkste inlichtingenbronnen te zijn en heeft gefunctioneerd tot de opheffing van de Centrale Militaire Inlichtendienst op 20 december 1949, kort voor de souvereiniteitsoverdracht.

NEDERLAND DIRECT NA 1945

Inlichtingenorganen Bij de wederopbouw van ons leger na de oorlog was de defensie-inspanning voornamelijk gericht op Nederlands-Indië. De eerste officieren voor inlichtingenfuncties bij de (her-)opgerichte KL-eenheden werden opgeleid bij de Engelse Intelligence School. Daarna werd het inlichtingenpersoneel opgeleid bij de Nederlandse School Militaire Inlichtingen Dienst. Deze heeft honderden inlichtingen-specialisten meegezonden met de Nederlandse troepen naar Nederlands-Indië. Vele gegevens, die door een G2 of S2 te velde werden verstrekt, waren geproduceerd door verbindingsinlichtingenpersoneel van de NEFIS. In Nederland lag het accent aanvankelijk nog sterk op de (nationale) verbindingsveiligheid. Er waren natuurlijk wel inlichtingenorganen, maar deze waren ondergebracht bij de Generale Staf (GS). Op 29 juni 1946 werd bij de GS een Legercodedienst opgericht, welke in 1947 werd ingedeeld bij het Directoraat Verbindingsdienst van de Generale Staf en samengevoegd met de afdeling Berichtenveiligheid van deze staf. De taken bestonde uit cryptozaken en het toezicht houden op het radioverkeer van de koninklijke landmacht. Deze organisatie ging op 1 juli 1949 over naar de op die datum opgerichte Inspectie Verbindingsdienst onder gelijktijdige opheffing van het Directoraat. Het cryptobureau, onder leiding van de majoor H. J. van der Hage, was gevestigd in een particulier huis aan de Jan van Nassaustraat in den Haag. Met het verkillen van de Oost-West verhoudingen deed de behoefte aan inlichtingen over de potentiële vijand zich nadrukkelijker gevoelen. Op 9 augustus 1949 werd een Militaire Inlichtingen Dienst opgericht naast de al bestaande Marine Inlichtingen Dienst (MARID). De Luchtmacht kreeg op 25 augustus 1951 een eigen Luchtmacht Inlichtingen Dienst, terwijl gespecialiseerde secties inlichtingen bij de diverse Wapens eerst in 1952 ontstonden. Interceptie De Inspectie Verbindingsdienst wenste al medio 1950 aan te vangen met experimenten op het gebied van de radio-interceptie. Hiertoe werd bij de Speciale Staf van de Inspectie een Afdeling Verbindingsverkenningsdienst geformeerd, welke werd ondergbracht in het voormalige Milvakamp in Kijkduin. Voor de KL waren interceptiewerkzaamheden nieuw, want haar aandacht was immers tot dan voornamelijk op de interne verbindingen gericht. Toch kostte het niet veel moeite om hiervoor bekwaam personeel te vinden omdat veel ervaren radio- interceptors van de NEFIS waren inmiddels gerepatrieerd. Het lag dus voor de hand om uit dit bestand personeel aan te wijzen. Met de leiding van de post werd eerste-luitenant G. S. Lous belast, die na zijn repatriëring geplaatst werd op het bureau Crypto van de Inspectie. Toegevoegd werd eerste-luitenant H.A. van der Beek, eveneens van het bureau Crypto. Voorts werden de sergeanten-majoor Schram, Blom en van Gerven bij de verbindingsverkenningsdienst geplaatst. Schram werd hoofd-interceptieploeg. In deze periode is de Verbindingsdienst langzamerhand op het spoor van Signal Intelligence (SIGINT) gekomen, dat wil zeggen dat niet alleen gegevens en informatie door het zoeken of opsporen van uitzendingen worden verworven (verwerving), maar dat de resultaten ook worden omgevormd tot bruikbare inlichtingen door systematische registratie, evaluatie en analyse (verwerking). Aanvankelijk had de groep slechts de beschikking over één voertuig en wat apparatuur. Later kon een vast onderkomen worden betrokken. Op dezelfde locatie als deze interceptiepioniers was ook een verbindingsbeveiligingsploeg gesitueerd onder leiding van eerste luitenant L. M. Duiverman. Behoudens dat de luitenants Lous en Duiverman op één bureau zaten, bestond er tussen beide bureaus geen functionele relatie. 105 Verbindingsverkenningsbataljon Begin in de Wittenberg: de eerste compagnie Na de overdracht van Nederlands-Indië ging de opbouw van de KL ten behoeve van de West-Europese verdediging in snel tempo. De behoefte aan communicatie-inlichtingen nam toe met de vrieskou van de Koude Oorlog. Ook de noodzaak de eigen verbindingen te controleren werd meer en meer gevoeld. Om die redenen werd in 1951 besloten tot de oprichting van een eigen verbindingsverkenningseenheid: 105 Verbindingsverkenningsbataljon, waarvan aanvankelijk slechts één compagnie, de mobiele 1-105, werd opgericht. Het was een zogenaamde 'tactische' inlichtingencompagnie met als hoofdtaak het intercepteren van divisie- en lagere netten. Zij kreeg echter ook een belangrijke neventaak: dienstplichtige interceptoren op leiden voor de interceptiedienst in Kijkduin. Deze post kampte met een tekort aan beroepspersoneel, zodat werd besloten dit aan te vullen met dienstplichtig personeel. De oprichting van 1-105 Verbindingsverkenningsbataljon vond plaats in de tweede helft van 1951 in de toen splinternieuwe legerplaats De Wittenberg nabij Garderen. Als compagniescommandant werd reserve eerste luitenant H.A. van der Beek aangesteld. Hij kreeg al spoedig de taak om de oprichting en vulling van een tweede compagnie van 105 Verbindingsverkenningsbataljon (2-105) voor te bereiden. Opleidingen: geïmproviseerd De opleidingen van een deel van het interceptiepersoneel werden initieel verzorgd door de School Verbindingstroepen in Utrecht. Een aanvullende opleiding op locatie werd gegeven. Deze werd in Kijkduin verzorgd door de sergeant-majoor Schram. Het verzorgen van een voortgezette opleiding voor de interceptietelegrafisten werd -en bleef- een taak van 1-105 Verbindingsverkenningsbataljon. Dat gebeurde aanvankelijk door de luitenant van der Beek, die de benodigde interceptoren en verbindingstelegrafisten zelf (als vervolgopleiding) opleidde. Echter, de benodigde morsetrainingsapparatuur was er niet. Ook telexisten en lijnwerkers werden bij de eenheid opgeleid. De crypto-analisten gingen een andere weg. Zij werden door een officier van het bureau crypto geselecteerd uit de recruten van de School Verbindingstroepen. Deze officier was de reserve eerste-luitenant H.A. Bense, oud crypto-officier van de NEFIS, die in april 1950 (als burger!) werd geplaatst op het bureau van majoor van der Hage. Hij verkreeg al spoedig de status van reserve-officier voor speciale diensten en heeft zelf de crypto-analistenopleiding opgezet en verzorgd. Zijn eerste leerlingen gingen naar Kijkduin. Na kortere tijd ging de luitenant Bense naar de Cursus Militaire Inlichtingen Dienst (CMID) aan de Infanterieschool en bereidde daar de eerste cursus crypto-analyse en verbindingsinlichtingen voor. Op 1 september 1951 ontstond uit de CMID een zelfstandige School MID. Materieel Als voornaamste materiaal waren acht radiowagens ‘luisterdienst’ voorzien, waarvan 4 type B, 1 type C (ter vervanging van de interceptiecentrale TC-9) en 3 van het type A. Deze laatsten waren voorbestemd voor de nog op te richten tweede compagnie. Als radio (zend-) ontvangers werden de R-107, R-209, Collins, Hallicraft, SCR-244 en de SCR-508 ingezet; als peilinstallatie was de SCR-206 voorzien. De uitlevering van het materieel verliep moeizaam en kon aanvankelijk niet worden ingebouwd omdat een deel van de benodigde shelters maandenlang doelloos in Den Haag en Utrecht heeft gestaan. Als gevolg van het ontbreken van een autorisatiestaat (de zogenaamde "Sig") was het de direct steunende bevoorradings- en hersteleenheid, 109 Verbindings Herstel- en Depotcompagnie in Naarden, zelfs onmogelijk om reservedelen en wisselstukken te leveren. Beheerstechnisch was het een chaos: slecht beheer en problemen met de overdracht. Over de geleverde verbindingsapparatuur bestonden vele klachten: te smalle frequentieband, oververhitting, onjuiste ophanging en dergelijke. In plaats van de geplande twee telextoestellen TT- 3001/FGC werd (eerst in augustus 1953) de verouderde Creed geleverd. Het personeel had bovendien nog een ernstige klacht: de aggregaten waren te klein, want de verwarming kon er niet op worden aangesloten! De compagnie nam in september 1953 deel aan de grote internationale oefening Grand Repulse. De peil- en interceptiesecties, alsmede de radioverkeersanalyse- en cryptogroepen deden wat ze konden en verschaften belangrijke inlichtingen over de slagorde van de vijand. Het kon evenwel niet verhinderen dat grote gebreken op het gebied van personeel, organisatie, materieel en opleiding schrijnend aan het licht kwamen. Dat deed voor de compagniescommandant de deur dicht: hij was ontstemd en liet dat blijken op 21 oktober 1953 in een zeer critisch oefenverslag gericht aan commandant 1 Legerkorps. Begin 1954 werd het compagniescommando door kapitein Van der Beek overgedragen aan kapitein R. Gomes. Het bataljon Gebaseerd op een reeds op 31 maart 1953 uitgegeven ontwerp-organisatie werd eind 1954 het bataljon daadwerkelijk opgericht. De bataljonsstaf, de tweede compagnie, 2-105 Verbindingsverkenningsbataljon (strategisch) en een derde compagnie, de mobilisabele 106 Verbindingsverkenningscompagnie, werden geformeerd. Deze laatste zou worden gevuld uit de beide andere compagnieën. Het hoofd van de Militaire Inlichtingen Dienst maakte in een memo van 17 februari 1954 het verschil tussen strategische en tactische inlichtingen bekend: strategische inlichtingen betroffen voornamelijk de radio communicatie zelf, tactische inlichtingen alle informatie over de militaire eenheden van de potentiële tegenstander. Taak van de strategische compagnie 2-105 was het intercepteren van divisie- en hogere radionetten. Het verwerken van tactische gegevens gebeurde onder meer bij de op 1 maart 1954 opgerichte 101 Militaire Inlichtingendienst Compagnie. Een gegraveerde koppelgesp die auteur bij deze compagnie kreeg toen hij daar in een oorlogsfunctie was geplaatst herinnert nog altijd aan het fiere devies van alle inlichtingenorganen: in tenebris lucens: licht brengen in de (vijandelijke) duisternis. Als commandant van het bataljon werd reserve majoor J. G. van der Steeg benoemd terwijl kapitein Gomes tevens werd belast met de waarneming van het compagniescommando van 2-105. Later werd de reserve kapitein J. J. L. de Hij compagniescommandant. Om grote aantallen personeel ging het niet: 1-105, de tactische compagnie bestond uit 62 man en 2-105, de strategische compagnie, was 68 man sterk, inbegrepen een luisterdienst-inlichtingen van 18 man. De staf en 2-105 waren bij 1-105 in onderhoud gesteld. Daartoe waren in de organisatie zeven koks en messbedienden opgenomen. Administratief was het bataljon onder C-1 Legerkorps geplaatst, maar als inlichtingenorgaan operationeel rechtstreeks onder de BLS. Door deelname aan diverse internationale oefeningen werd de nodige ervaring opgedaan.  Gorinchem De Wittenberg was voor een verbindingsinlichtingeneenheid in feite ongeschikt, zowel voor ontvangst als voor verwerking van de inlichtingen. Toen bovendien de Milva de door post Kijkduin gebruikte ruimten zelf nodig had, werd door de BLS besloten beide onderdelen samen te voegen en op een geheel nieuwe locatie onder te brengen. Dat was nog niet zo eenvoudig, want de ontvangstmogelijkheden moesten goed zijn en de afstand naar den Haag niet te groot. Het werd de Citadelkazerne in Gorinchem; een oude vestingstad, waar men op zichzelf aangewezen zou zijn. De verhuizing van 105 Verbindingsverkenningsbataljon vond plaats op 26 oktober 1955. Op 1 december volgde de post Kijkduin. Erg enthousiast was het beroepspersoneel niet, want de meeste waren gedwongen te verhuizen en er nauwelijks woningen beschikbaar waren. Na een half jaar waren pas 5 beroepsmilitairen in Gorinchem woonachtig en nog 16 woningzoekend. De dienstplichtigen zagen het anders, want "Gorinchem was een lustoord, de meisjes waren niet schuw voor de wapenrok en (...) er waren tweeëntachtig cafés" schreef de toenmalige bataljonscommandant in een notitie. Aan de locatie waren nogal wat nadelen verbonden en deze werden weldra ondervonden. De legeringsgebouwen voldeden aan geen enkele behoorlijke eis en er was te weinig personeel om de onderhouds- en bewakingstaken uit te voeren. Al gaf dit problemen, het was misschien nog te aanvaarden. Erger was dat vele werkobjecten verspreid in het stadje lagen en dat de operationele inzet van de verbindingsapparatuur te lijden had van vocht en stof in de met kolenkachels gestookte vestingwerken. Onoverkomelijk was dat de radioposten, die op de bovenverdieping van de Willemskazerne waren ondergebracht, last hadden van magnetische storingen van de oprukkende industrie in Gorinchem. Weldra werden er dan ook voorstellen gedaan om de paraatheidseisen van het bataljon op te heffen en het te beschouwen als een opleidingsbataljon, burgers aan te stellen voor wachtdiensten en overtollig materieel in een mobilisatiecomplex op te slaan. Ook werd verzocht het militair personeel aan te vullen tot 120 man, want van de 176 organieke plaatsen waren er medio 1956 slechts 93 gevuld! In die tijd was kapitein H. Letteboer bij het bataljon geplaatst en werd hij medio 1956 met de waarneming van het bataljonscommando belast. Oude taken, nieuwe namen Omdat de structuur en de samenstelling van 105 Vbdverkbat niet geheel in overeenstemming waren met de door de MID gestelde eisen, werd het bataljon medio 1956 eerst gereorganiseerd en vervolgens medio maart 1957 opgeheven. De taken weden overgenomen door de nieuw opgerichte 905 Verbindingsverkenningscompagnie (strategisch). Van deze compagnie werd kapitein Letteboer commandant. In oktober 1958 was de daadwerkelijke sterkte van deze compagnie nog slechts zes officieren, 40 onder-officieren en een 80-tal overigen. Kapitein Letteboer was geen willekeurige verbindingsofficier. Als agent/telegrafist van het Bureau Inlichtingen in Londen (een geheime dienst) werd hij op 23 juni 1943 in het noorden van Nederland geparachuteerd. Het beruchte Engelandspiel, waarin vrijwel alle gedropte agenten werden opgepakt, was gelukkig grotendeels uitgespeeld en zo kon hij met een onbesmette zender meewerken aan de opbouw van de inlichtingendienst in bezet Nederland. Op bijzonder succesvolle wijze heeft hij dat volgehouden tot 3 februari 1944. Toen werd hij gearresteerd, een gevolg van bekentenissen die arrestanten tijdens verhoren noodgedwongen aflegden. Kapitein Letteboer, op 1 november 1958 bevorderd tot majoor, heeft deze ervaring en zijn persoonlijkheid volledig ingezet en is van grote betekenis geweest in deze periode van verdere ontwikkeling van dit inlichtingenorgaan. Niet voor niets is in Eibergen het werkgebouw van het latere 898 Verbindingsbataljon naar hem genoemd. Een ontwerp-oorlogsorganisatie van 4 september 1958 van de BLS ging uit van een staf, een verbindingspeloton, een interceptiepeloton met een inlichtingen- en een veiligheidsgroep, een controlepeloton met 3 statische en 2 mobiele peilploegen en een verwerkingspeloton. In totaal 293 man (23/81/189). Het operationeel bevel bleef bij de BLS. In verband met het opheffen van 102 Verbindingsgroep kwam de compagnie per 1 februari 1959 onder administratief bevel van de Inspecteur Verbindingsdienst. De naam werd gewijzigd in 894 Verbindingsverkenningscompagnie. In deze compagnie was de eerste luitenant C. Kagenaar plaatsvervanger en de tweede luitenant C. P. Heeren radioverkeersanalist. Per 1 juli 1961 droeg majoor Letteboer het commando over aan de kapitein J. Tieman. Op 1 januari 1962 werd de naam van 894 Verbindingsverkenningscompagnie gewijzigd in 890 Radiocompagnie. In die tijd verleende de Marine (MARID VI) steun bij de verwerking van de tekstcomponent van berichten die, wegens gebrek aan cryptoanalisten en apparatuur, niet zelf konden worden afgehandeld. 26 April van dat jaar was een historisch moment: de verbindingsveiligheidstaak, in feite een oneigenlijke taak, ging over naar de sectie 2 van de Inspectie Verbindingsdienst. Op 12 mei 1964 droeg majoor Tieman, die inmiddels op 1 november 1962 was bevorderd, het commando van de 166 man tellende compagnie over aan majoor C. Salomons. Als uitvloeisel van de veranderende internationale situatie veranderde de NAVO-strategie (voorwaartse verdediging) en onderging de KL ingrijpende wijzigingen. Scheiding van de dubbele taak van 890 Rdcie werd noodzakelijk geacht en werd, te rekenen vanaf 1 september 1965, 898 Radiobataljon opgericht, bestaande uit een staf, een staf en verzorgingsdetachement en twee radiocompagnieën. De ene was de al bestaande 890 Radiocompagnie, die de strategische taak behield maar werd teruggebracht tot 125 man. De andere werd 105 Radiocompagnie mobiel met 132 man, een tactische taak en -op dat moment- nauwelijks materieel. In oorlogstijd zou de sterkte worden uitgebreid tot respectievelijk 172 en 164 man. Naar Eibergen Een saneringsoperatie in 1964 met de veelzeggende naam "Chirurch", bracht het voortbestaan van Gorinchem als garnizoensstad ter sprake. Mede door de al lang bestaande problemen met de behuizing en ontvangstproblemen werd bezien of 890 en 105 Rdcie naar een andere locatie zouden kunnen verhuizen. Verschillende mogelijkheden werden onderzocht, maar het was niet eenvoudig. Een kampement in Eibergen zou mogelijkheden kunnen bieden. De Inspecteur Verbindingsdienst liet dit in 1965 onderzoeken en gaf de consequenties aan. Vervolgens besloot de BLS dat, na infrastructurele aanpassingen, kon worden verhuisd en bepaalde op 31 juli 1967 dat het inmiddels tot bataljon uitgegroeide verbindingsinlichtingenorgaan tussen 20 november en 1 december 1967 zou worden verplaatst naar het Kamp Holterhoek in Eibergen. Op 9 november 1967 werd een ceremoniële afscheidsparade gehouden, waaraan ook werd deelgenomen door 566 TD Munitie Renovatiecompagnie, die eveneens in Gorinchem was gelegerd en naar Houten ging. De Inspecteur Verbindingsdienst, generaal-majoor de Ruig, bood de burgemeester een bronzen soldaat aan en luitenant-kolonel Salomons overhandigde een herinneringsbord. Gorinchem was geen garnizoensplaats meer. Een afscheid waar iedereen vrede mee kon hebben. Holterhoek We blikken even terug in de geschiedenis van het kamp. In 1953 werd besloten tot de bouw van een miltair kampement in de gemeente Eibergen ten behoeve van de voorgenomen verplaatsing van twee onderdelen: 931 Afdeling Lichte Luchtdoelartillerie te Steenwijkerwold en een navigatie- en radarstation van de Luchtmacht te Winterswijk dat tevens moest worden uitgebreid. Dit KLu onderdeel zag met deze verplaatsing een lang gekoesterde wens in vervulling gaan: het realiseren van één centrale opleiding voor de luchtverdedigingstroepen. Er werd gekozen voor een kamp met een in de nabijheid te vestigen radarstation op een heide- en bosperceel van ongeveer 5,5 hectare. Het lag (en ligt) op circa 3 km afstand van de dorpskern. De burgemeester van Eibergen deed de suggestie om er de naam "Holterhoek" aan te verbinden omdat het kamp in het gelijknamige buurtschap was geprojecteerd. Oplevering was voorzien in de zomer van 1954. Het werd uiteindelijk 21 juli 1955. Kort voor deze datum werd bekend dat de vermelde afdeling niet naar Eibergen werd verplaatst. In plaats daarvan gebruikte de KL een deel van het kamp voor het opleggen van tactische voorraden. Om die reden droeg de KL bijna 70.000 gulden bij aan de totale bouwkosten van bijna 1,8 miljoen.  Op 1 maart 1958 werd het kamp door de Luchtmacht vrij gegeven omdat het onderdeel werd opgeheven. Het kamp heeft vervolgens ongeveer anderhalf jaar leeg gestaan, werd enige tijd gebruikt door personeel van Groepen Geleide Wapens en daarna door repatrianten uit Nederlands-Indië. Eind 1958 werd besloten dat het kamp in de loop van januari 1959 door de KL in gebruik zou worden genomen. Dat werd echter 1960, maar toen werden er 104 Verbindings Ondersteunings Compagnie, 127 en 129 Technische Dienst Munitieaanvullings Compagnie gelegerd. In 1964 verdwenen beide TD compagniën weer met hun opvallende en voor de burgerij zo handige break-downs. 129 TD cie ging naar de Wittenberg en 127 TD cie werd op 1 oktober mobilisabel gesteld. Zo werd er ruimte gemaakt voor 898 Radiobataljon. Het kamp was echter niet zonder meer geschikt want er was legeringscapaciteit te kort en er moest een apart werkgebouw bijkomen. Na uitvoering van alle werkzaamheden werd het kamp op 21 september 1967 tijdens een korte plechtigheid heropend. Deze officiële handeling mocht de burgemeester verrichten met het indrukken van een seinsleutel waardoor een gordijn opzij schoof en een grote zwerfkei met herdenkingsplaat zichtbaar werd. De rede die door de luitenant-kolonel Winters van de Genie werd uitgesproken rolde even later uit een naast de kei opgestelde telex. Dit maakte wel indruk. Buiten het kamp werd een apart gebouw geplaatst ten behoeve van het bedrijf. Dit werkgebouw werd op 12 december geopend door de Inspecteur Verbindingsdienst. Eind 1970 werd 104 Vbdostcie opgeheven. De D-compagnie van 541 Verbindingsbataljon kwam er voor in de plaats.   Peilen en Peilnet Wanneer een radiostation is getraceerd en wordt afgeluisterd, dan wil men ook weten waar het zich bevindt. Hiertoe is een peilbasis vereist. In de Tweede Wereldoorlog peilden de Duitsers met buitgemaakte peilauto's van de Rijks Controle Dienst geallieerde zenders of zenders van de illegaliteit. Het eerder vermelde Englandspiel is daarvan een berucht voorbeeld. Direct na de oorlog werd ten behoeve van de binnenlandse veiligheid een Radioluisterdienst opgericht die ook de taken van de vooroorlogse PTT-Radio Controle Dienst waarnam. Zij werkte aanvankelijk met eenvoudige Amroh-ontvangers. Later onder meer met de nauwkeurige Collins, een oorlogsontwerp, dat het echter nog jarenlang prima heeft gedaan. Ter ondersteuning van deze taak werd een peilnet opgebouwd. In 1953 werd dit net ingebracht in het toen opgerichte Interdepartementale Verbindings- luister- en peilnet. De centrale post werd gevestigd in Hilversum en heeft tot ongeveer 1988 bestaan. De KL heeft aan dit RIO (Radio-Inlichtingen-Orgaan) jarenlang een structurele bijdrage geleverd en vele peilopdrachten laten uitvoeren. In 1963 werd door de toenmalige 890 Radiocompagnie peilpost Mike in Mertingen (Zuid-Duitsland) in gebruik genomen. Deze post was een onderdeel van de interdepartementale peilbasis. Op 4 september 1963 nam een bezetting van vijf man de post over, nadat vanaf 22 augustus een ploeg uit Gorinchem, onder leiding van de eerste luitenant C. P. Heeren, zich had bezig gehouden met installeren, callibreren en in het in gebruik stellen. Het personeel van de peilpost werd gelegerd in de A. Deplkazerne in Donauwörth. Eind jaren zestig stelde commandant 890 Radiocompagnie voor om een eigen peilnet in gebruik te nemen, omdat de reactietijd (3000 peilaanvragen per maand) wel erg lang was. In 1970 werd dit gerealiseerd met de ingebruikname van post Alfa in Eibergen, post Sierra bij Heide in Noord-Duitsland en post Delta in Dillingen aan de Donau. Delta lag in de omgeving van post Mike en deze posten werden dan ook samengevoegd. Alfa, Delta en Sierra vormden samen het KL-peilsysteem. In 1986 zou het peilsysteem worden vernieuwd en uitgebreid met een mobiele component. De invoering werd echter door diverse omstandigheden vertraagd en na de oprichting van 102 Electronische Oorlogvoering Compagnie in 1988 en de val van de Berlijnse Muur in 1989 werd het mobiele gedeelte voor 898 Verbindingsbataljon niet meer van belang geacht. Aanpassing van de operationele uitgangspunten was noodzakelijk door de veranderde internationale veiligheidssituatie en daarmee het gebied van belangstelling. Vanwege de behoefte aan plaatsbepaling op grotere diepte werd een aanzienlijke verbreding van de peilbasis noodzakelijk. Post Mike in Zuid-Duitsland werd in 1990 opgeheven en na internationaal overleg kon vanaf 1992 worden beschikt over een operationele peilpost elders in Europa. Het huidige peilsysteem is geheel anders dan dat van de jaren tachtig.   Naar een modern inlichtingenbedrijf Al in de jaren zestig werd duidelijk dat het inlichtingenbedrijf van 898 Verbindingsbataljon moest worden geautomatiseerd. Bovendien werden de materieelaanschaffingen voor de verdere uitbouw van 105 Rdcie getemporiseerd. Mede om deze redenen werd begin 1967 door de BLS besloten dat de beide compagnieën van 898 Rdbat tot één bedrijf zouden integreren. De beproeving daartoe begon op 1 april 1969 en werd begeleid door een op 5 november 1968 ingestelde projectgroep "verbindingsinlichtingen" van de BLS. Uit deze beproeving kwam de behoefte naar voren aan de opname van een rekencentrum en een scheiding van het operationele en het verzorgende deel van de organisatie. Een voorstel van de toenmalige C-898 Rdbat, majoor D. W. J. Dedert, om te komen tot een radioafdeling en een administratieve compagnie werd niet gehonoreerd. Op voorstel van een projectgroep o.l.v. ORG A1/GS besloot de CGS om 890 Rdbat op te heffen met ingang van 15 september 1970 onder gelijktijdige oprichting van 898 Verbindingsbataljon met onder bevel een staf, een staf- en verzorgingscompagnie en een verbindingscompagnie. Het nieuwe bataljon kwam onder operationeel bevel van plv CGS en onder administratief en tactisch bevel van de Territoriaal Bevelhebber Oost (TBO). Het bataljon kreeg een oorlogssterkte van 327 man en was ook in vredestijd vrijwel geheel gevuld. De verbindingscompagnie had een sterkte van 295 man. In de organisatie was aanvankelijk een rekencentrum van 12 militairen opgenomen, maar per 23 december 1971 werd dit een Sectie Electronische Informatie Verwerking (SEIV), bestaande uit 2 officieren en 13 burgers, systeemanalisten en programmeurs. In de nieuwe Ssvcie (33 man) werd de projectgroep verbindingsinlichtingen van staf CGS/BLS opgenomen, evenwel zonder operationele bevelsverhouding. Deze groep, vanaf 1972 o.l.v. projectmanager majoor H. Snel, werkte aan de invoering van een geautomatiseerd systeem voor gegevensverwerking. De operationeelstelling was voorzien op 1 januari 1973. In 1972 werd aan 898 Vbdbat de eerste computer geleverd: een IBM type 360-22. Later kwamen er twee IBM-370 computers met een aantal PC's en microcomputers, bekend als de b- configuratie. In 1983 initieerde de DEBKL de noodzaak van vervanging van de b-configuratie . Heel simpel werd hiervoor de benaming 'g- computersysteem' gekozen. Het was onderdeel van het 'Project Verbindingsinlichtingen Systeem 898', waarvan ook het KL-peilnetsysteem en enkele andere deelprojecten deel uitmaakten. Allerlei oorzaken vertraagden de invoering aanzienlijk. In de loop van de jaren na 1972 groeide het bataljon langzaam door naar 407 man in 1978. De SEIV bestond toen uit 4 officieren en 32 burgers. Medio 1978 besloot de BLS de SEIV als aparte organisatie-eenheid in het bataljon op te nemen met een apart organisatienummer en elementair codenummer. Officieel werd de SEIV opgericht per 1 januari 1979. Begin jaren tachtig werd duidelijk dat de middelen waarover 898 beschikte niet langer toereikend waren voor een adequate taakuitvoering. Er moest worden gemoderniseerd, maar er waren te weinig financiën beschikbaar. Besloten werd tot een efficiëntere werkwijze. Deze werd gevonden door zowel de interceptie, de peilingen als de verwerking van de verkregen inlichtingen te automatiseren. In de projectgroep Verbindingsinlichtingen Systeem 898 werden daarom betrokken de verwerving (radio-ontvangers, KL-peilsysteem), de verwerking (computersysteem g), de rapportage aan BLS en C 1-LK (National Message Switching Centre) en de opleidingen. Tevens werd de operationele behoefte vastgesteld aan tactische EOV capaciteit t.b.v. 1 LK, welke leidde tot de oprichting van 102 EOV compagnie in 1988. Materieel en software werden niet zelf ontwikkeld maar gekocht in Duitsland. Het bleek noodzakelijk de wederzijdse verantwoordelijkheden en bevelsverhoudingen van de BLS, het hoofd van de LAMID (die tevens de nationale COMINT autoriteit was en hoofd van de afdeling I&V) en C-1 LK ten opzichte van 898 en 102 vast te stellen. Door I&V werd het plan ontwikkeld om de EOV compagnie te co-loceren met 898, dit bataljon verder te reorganiseren en de vertaalcapaciteit van de SMID hierin te integreren. Vernieuwing/vergroting van het werkgebouw bleek noodzakelijk, met als resultaat dat in augustus 1990 een geheel nieuw gebouw in gebruik werd genomen. Zeer terecht werd dit genoemd het luitenant-kolonel Letteboergebouw! Het Verbindingsbataljon werd nu in alle opzichten een bedrijf. De Verbindingscompagnie werd met ingang van 1 januari 1992 een Verbindingsinlichtingen Bedrijf (VIB) met een sterkte van 342 man en het rekencentrum SEIV (nog even SIO genoemd) werd Diensten Centrum-A (DC-A) met een sterkte van 45 man. In deze laatste periode van zijn bestaan is 898 Verbindingsbataljon uit de anonimiteit getreden en heeft een ware gedaantewisseling ondergaan. Die verandering kan het beste worden omschreven met de woorden van de generaal-majoor vbdd bd J.J.C.N. de Vries, oud hoofd-LAMID/I&V. Hij schreef: "898 heeft zich ontdaan van de contra-productieve geheimzinnigheid en zich in korte tijd weten op te werken tot een efficiënte organisatie die een goed product wist neer te zetten. Hulde aan commandant en personeel". Na deze treffende omschrijving mag er alle vertrouwen zijn in de toekomst van een geïntegreerd verbindingsinlichtingenorgaan waarin ons Wapen zo'n prominente positie inneemt en haar beste tradities op het gebied van dienstverlening zeker zal voortzetten.
Historie